Raad voor de Kinderbescherming en omgangsregeling

Behalve de ouders, nauwe betrokkenen en de rechter kan ook de Raad voor de Kinderbescherming betrokken worden in een zaak rondom de omgangsregeling. De Raad voor de Kinderbescherming is een onderdeel van het Ministerie van Justitie en komt op voor de belangen van het kind. Eerst zullen de bevoegdheden van de Raad betreffende de omgang worden beschreven, waarna wordt uitgewerkt op welke wijze de Raad deze taken behoort uit te oefenen.

Taak Raad voor de Kinderbescherming bij omgangsregeling

De rechter kan de Raad voor de Kinderbescherming inschakelen, wanneer de ouders niet samen tot een omgangsregeling kunnen komen. De Raad voor de Kinderbescherming zal na onderzoek gedaan te hebben een advies over de omgangsregeling geven aan de rechter. De uitspraak van de rechter is dan gebaseerd op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming en op wat er in de zitting is verteld. In het onderzoek gaat de Raad voor de Kinderbescherming uit van het belang van het kind, aangezien het kind zelf niet goed kan opkomen voor zijn belangen. De ouders van het kind kunnen zodanig met elkaar in conflict komen te staan dat ze vergeten wat het beste is voor hun kind. Daarom is het belangrijk dat een onafhankelijke organisatie, zoals de Raad, opkomt voor de het belang van het kind, aangezien de rechter ook een beslissing zal moeten geven die voor het kind de beste oplossing is.

Proef omgangsregeling

De rechter kan oordelen dat een soort proef omgangsregeling wordt vastgesteld. Indien de rechter oordeelt tot een aantal proefomgangscontacten binnen de procedure, kan de rechter de Raad voor de Kinderbescherming opdragen deze proefcontacten te begeleiden.  Het is echter niet de taak van de Raad om de werkelijke omgangsregeling verder te begeleiden, nadat deze is vastgesteld door de rechter. Er is immers geen enkele bepaling die deze taak de Raad oplegt of die de rechter de bevoegdheid geeft om de Raad de omgangsregeling te laten begeleiden. De taken van de Raad van de kinderbescherming zijn krachtens art. 1:238 lid 2 BW alleen bij de wet bepaald. 

Werkwijze Raad voor de Kinderbescherming ten opzichte van de omgangsregeling

Op welke manier de Raad voor de Kinderbescherming zijn taken moet uitvoeren is neergelegd in Normen 2000. Dit zijn richtlijnen opgesteld door de minister van Justitie. Tijdens het onderzoek over de omgangsregeling, moet de raadsonderzoeker de verantwoordelijkheid van de ouders als opvoeders respecteren en erkennen. Tevens zal de onderzoeker proberen ervoor te zorgen dat het kind contact en een relatie met beide ouders heeft en zal de ouders zo veel mogelijk aansporen om duurzame regelingen hiervoor te treffen. De raadsonderzoeker zorgt ervoor dat de ouders ingelicht worden over de loop van het onderzoek en zal met hun hierover overleggen. De Raad voor de Kinderbescherming werkt samen met andere organisaties. Voor het onderzoek wordt er dan ook met deskundigen overlegd die meer inzicht kunnen bieden in de situatie. Dit kan bijvoorbeeld een gedragskundige of juridische deskundige zijn.

Bemiddelingsfase Raad voor de Kinderbescherming

In het begin van het onderzoek over een omgangsregeling heeft de raadsonderzoeker een gesprek met beide ouders. Hij zal proberen om te bemiddelen tussen de ouders om tot een gezamenlijke omgangsregeling te komen, waarin beide ouders zich kunnen vinden. Deze periode duurt maximaal 6 weken. Wanneer de ouders het eens worden over de omgang, informeert de Raad de rechter hier schriftelijk over en is het onderzoek afgelopen. Er wordt dan ook geen rapport gemaakt van de zaak.

Nadere informatieverzameling en advisering Raad voor de Kinderbescherming

Als de bemiddelingsfase voor de omgangsregeling niet tot een goed resultaat komt, begint de fase van nadere informatieverzameling en advisering. Het voornaamste doel in deze fase is om tot een goed advies te komen over de omgang voor de rechter. Niet alleen de ouders en het kind, maar ook andere personen, die belangrijke informatie over het kind en zijn gezinsleven kunnen geven, worden geraadpleegd om tot een goed advies te kunnen komen. Wanneer het onderzoek afgerond is, stelt de raadsonderzoeker een rapport op, waarin de meningen van ouders, kind en betrokkenen worden opgenomen. Indien de raadsonderzoeker het advies geeft tot ontzegging van de omgang, wat inhoudt dat hij adviseert dat er geen omgangsregeling zou moeten worden vastgesteld, zal de reden hiervoor gerapporteerd en gemotiveerd moeten worden.